Sponsors

Ereleden

Gosse van Roeden

Gosse van Roeden is geboren op 12 oktober 1914 in Beneden-Knijpe, in het woonhuis die hoorde bij de kruidenierswinkel van zijn ouders. Dat was het derde pand westelijk van café de Knyp (vroeger de Hoek). Het gezin zou bestaan uit nog een zoon, Harm, en een dochter, Marthe.

Vanaf de lagere school moest Gosse overdag meehelpen in de zaak, onder meer door langs de deuren te gaan. De mensen waren er toentertijd aan gewend dat elke dag venters aan de deur kwamen. Aan winkels werd daarom niet veel zorg besteed. Winkelwerk en venten was niks voor Gosse; hij hoefde niet zo nodig de hele dag mensen om zich heen te hebben. Hij ging aan de (avond-)studie (ULO) om het lot van een winkeliersbestemming te ontlopen. Dat lukte; hij kwam als boekhouder in dienst van de Amsterdamsche Bank aan Achter de Kerk in Heerenveen.

Gosse moest in 1937 in militaire dienst en werd helemaal in Middelburg gelegerd. Pas na zijn overplaatsing naar Assen kwam hij in de kunde met Aukje Bosma, zijn latere vrouw. Bij de mobilisatie in 1939 werd hij sergeant-foerier in Haarlem. Aukje heeft hem daar wel bezocht en logeerde dan bij Gosse’s oom en tante in Hillegom. Ze ging met de boot van Lemmer naar Amsterdam. Al met al een tocht van twaalf uur dat een meisje uit Friesland haar leven niet vergat. Toen de oorlog uitbrak moest Gosse’s eenheid oprukken naar Rotterdam maar van vechten is het niet meer gekomen. Het duurde nog wel tot in 1941 voor Gosse weer naar huis mocht. Al met al dik vier jaar onder de wapenen maar geen schot gelost.

In juni 1942 trouwden Gosse en Aukje en ze gingen wonen schuin tegenover de winkel van heit Tjibbe van Roeden, in de oostzijde van het toen nog dubbele huis naast het pad naar de hervormde kerk (later woonden daar Evert van der Tuin en Jan Popma).
In hetzelfde jaar koos Gosse voor een betrekking bij de De Drie Provinciën. Hij werd boekhouder in het nieuwe kantoor van deze ontginningsmaatschappij, naast Nieuw Friesburg aan wat nu de Falkenaweg heet. In 1950 werd het Heerenveense regiokantoor opgeheven en met personeel overgeplaatst naar Assen. Veertien maanden pendelde Gosse heen-en-weer naar Assen voordat hij daarheen verhuisde. Na de opheffing van De Drie Provinciën in 1970 kon Gosse nog twee jaar aan de slag bij het Ministerie van Landbouw tot hij in 1972 op wachtgeld werd gezet. Hij verrichtte vervolgens allerlei boekhoudklusjes in en rond Assen, vooral voor winkeliers.

In de jaren dertig voetbalde Gosse bij Read Swart, Aukje korfbalde bij Kinea. De beide clubs hielden gezellige avonden in het café van Jan en Rins de Vries, aan de vaart in Boven-Knijpe. Aukje en Gosse deden daar enthousiast mee met toneel, al bleef Gosse’s rol beperkt tot die van souffleur.
Aukje was geboren aan de Eilewyk en woonde in de jaren dertig in Bontebok. Toen heette het daar Nieuwehorne. Aukje’s vader Jabik Bosma staat op de foto in het Read Swart jubileumboek op pagina 26, linksonder. Haar broer Siemen woonde jarenlang op de Heideburen in Heerenveen. Hij komt ook op foto’s van Read Swart voor, onder meer in het jubileumboek op de pagina’s 24 en 27.

Gosse van Roeden had een zwak gestel, al vanaf jonge leeftijd. Aukje’s herinneringen hieraan gaan terug tot hun trouwen. Hij lag soms weken achtereen te bed, geplaagd door aandoeningen aan de maag, aan de darmen, aan zijn hart. Gosse van Roeden overleed op 10 april 1989 aan hartfalen, toch nog 74 jaar oud.
In Assen, waar het gezin vooral lang (33 jaar) woonde aan de Rembrandtlaan, werden Gosse en Aukje direct in 1952 lid van de Fryske Krite. Aukje was daar op haar 90ste, in 2007, nog altijd lid van. Ze is er 25 jaar bestuurslid geweest, Gosse was er 28 jaar souffleur. 

Gosse was dan wel actief lid van Read Swart, het was geen bijzonder getalenteerde voetballer en zeker geen fanatieke. Hij hield het spel al vrij snel voor gezien, heeft ook nimmer in Assen gespeeld. Gosse was geknipt als penningmeester van Read Swart; hij vervulde die functie van 1936 (opvolger van Kees Veldman) tot 1952, toen hij naar Assen verhuisde. Hij was een man van uitzonderlijke nauwkeurigheid, degelijk en terughoudend, precies volgens zijn karakter. Aukje daarentegen is uitbundig, altijd fleurig en maakt graag een praatje. Ondanks deze verschillende naturen hadden ze een uitstekend huwelijk. Gosse en Aukje kregen twee kinderen; Annie (1944) en Tjibbe (1946).

Op de ledenvergadering van 1938 kwamen een schamele vijf leden opdraven. Het ging Read Swart, aan de vooravond van het tienjarig jubileum, niet voor de wind. Er waren nog maar zestien ‘grote leden’ (senioren). Gosse van Roeden meldde als seizoensinkomsten ƒ 265,45 en als uitgaven ƒ 239,29. Dat leek hem te weinig om de gewenste nieuwe doelnetten aan te schaffen, ook al waren de oude totaal aan flarden. Eigenlijk moest de club zich schamen nu binnenkort als propagandawedstrijd Rood Geel-Heerenveen in De Knipe werd gespeeld.
Toen Gosse van Roeden veertien jaar later, in 1952, het penningmeesterschap overdeed aan Pier de Jong, waren uitgaven en inkomsten zo’n 200 gulden hoger dan in 1938, maar wel met een tekort. Dat dwong tot een forse contributieverhoging: van ƒ 0,85 naar een volle gulden per maand.

Zestien jaar was Read Swart bestuurd door Abe de Vries, Jouke Lukkes en Gosse van Roeden. Veelal waren er twee seniorenelftallen en één jeugdteam. Het voetbal was niet te vergelijken met tegenwoordig. Er werd veel minder getraind, gebouwen waren er niet, er was één veld, dat de club van het Armbestuur huurde. Maar er waren weinig kaderleden. Gosse van Roeden was niet alleen penningmeester, hij zat ook in de Elftalcommissie en gaf trainingen. Het was een karige tijd, een tijd van crisis, van oorlog, van wederopbouw. Om op de centen te passen en de club behoedzaam door de tijd te loodsen, was Gosse van Roeden een geknipte bestuurder. Geen wonder dat hij Read Swarts eerste Erelid werd, in 1952. Hij was toen 37 jaar.

 

Abe de Vries

Abe de Vries is op 23 januari 1910 geboren in Boven-Knijpe, in de herberg van zijn ouders. Het later afgebrande café stond schuin tegenover het kerkhof. Abe heeft daarna maar één andere woonplek gehad, aan de Ds. Veenweg 145.

Abe, die één zuster had (Anna), was getrouwd met Lutske Snijder, afkomstig van de Lange Wyk, tussen Bontebok en Jonkerslân. Dit rotsvaste huwelijk, dat kinderloos bleef, stond sterk in het teken van sport, al was Lutske helemaal geen sportster. 

Door het café van zijn ouders, ‘Jan en Rins’, kreeg Abe het verenigingsleven in het dorp bijna letterlijk met de paplepel ingegoten. Het café was immers thuisbasis van tal van clubs.  

Al op jonge leeftijd (22) werd Abe de Vries, die in Heerenveen de vierjarige MULO doorliep,  journalist bij het Nieuwsblad van Friesland. Deze ‘Hepkemakrante’ in Heerenveen had, toen Abe er ging werken, zijn beste tijd gehad. Na de oorlog stapte hij over naar de Friese Koerier en, na de fusie met de Leeuwarder Courant in 1969, daarheen. Hij ging met pensioen in 1975. Hij had er toen liefst 43 jaar gedreven sportjournalistiek opzitten.

Abe de Vries kreeg door zijn werk en zijn sterke betrokkenheid bij het verenigingsleven in De Knipe tal van goede contacten. Lang betrof dat ook voetbalbesturen (wat hem Lid van Verdienste van de Friesche Voetbalbond maakte), al was het daar gedaan met de grote liefde toen halverwege de jaren vijftig, zeer tegen zijn zin, de KNVB zwichtte voor betaald voetbal. Bij de korfbalbond kreeg hij meer gedaan; die bond was een stuk kleiner en ze bleef in Abe’s ogen zuiver, want trouw aan de (onbetaalde) amateurstatus.
Abe was een man van ijzeren principes en duidelijke standpunten. Voor twijfel was geen plaats. Hij maakte het zichzelf met die onverzettelijkheid verre van makkelijk. Maar dat nam hij voor lief; hij was zeker geen benauwde man.
Abe de Vries heeft voor De Knipe geweldige betekenis gehad, meer dan welke dorpsgenoot voor of na hem. Tientallen jaren was hij bestuurslid bij onder meer Plaatselijk Belang, het Groene Kruis, de Begrafenisvereniging, de VVV (Knypster Merkekomisje), Read Swart en Kinea. Alleen voor de politiek was hij ongeschikt: te ongeduldig, te koppig en te recht voor de raap. Voor al zijn werk voor het dorp kreeg hij in 1975, bij zijn afscheid van de krant, het gemeentelijk ereteken van Heerenveen. Hij had zijn Lutske bij hoog en bij laag bezworen, nimmer in te stemmen met toekenning van een koninklijk lintje. Dat zou hij subiet weigeren: de hoogte van die lintjes hangt af van sociale afkomst en dat was hem een onoverkomelijke gruwel.

Abe de Vries stierf bijkans in het harnas, in de namiddag van zondag 19 december 1982. Het was snijdend koud, hij had net een wedstrijd van zijn geliefde Kinea in de inmiddels afgebroken sporthal De Kamp in Heerenveen bezocht en kreeg in zijn auto een fatale hartverlamming. Letterlijk tot de laatste snik was het boven alles Kinea waarvoor hij zich met alle ziel en zaligheid inzette.

Abe de Vries hoorde tot de ploeg jongens die rond Sietse Koen de eerste kern van Read Swart vormde, midden jaren twintig. Een bijzonder kleinood van Read Swart is de kampioensplaquette uit het seizoen 1926-1927, drie jaar vóór de officiële oprichting van Read Swart. De club heette toen “De Knijpe” en speelde in een Onderlinge Voetbalbond. Abe de Vries was secretaris van de Knypsters en heeft van dat seizoen een verslag gemaakt dat wordt bewaard in het clubarchief. Het waren jonge knapen: Abe zelf was immers nog maar zestien. Alleen Sietse Koen was een stuk ouder.

Gedurende de jaren dertig was Abe “tweede secretaris” in het bestuur van het nog zo kleine Read Swart. Toen bij het uitbreken van de oorlog het grote boegbeeld Sietse Koen als voorzitter het veld moest ruimen, werd Abe de nieuwe praeses. Dat bleef hij liefst 23 jaar achtereen. Tussen hem en Sietse Koen, twee enorme sporthelden van De Knipe, kwam het nooit meer goed. Beiden werden wel Erelid van Read Swart en daar zal zeker Abe gemengde gevoelens over hebben gehad.

Op de avond van de 12de november 1963 hield Read Swart zijn jaarvergadering in café Jelle en Klaske Koen, Abe’s voorouderlijke stee. Die avond viel het doek voor het bestuurswerk van Abe de Vries voor Read Swart. De 22 leden die kwamen opdagen, wisten zich moeilijk een houding te geven: wie van hen kon zich een Read Swart-bestuur zonder Abe de Vries herinneren? Wie, aan de andere kant, wist wanneer de voorzitter voor het laatst op een wedstrijddag van Read Swart was verschenen? Goed, hij was als sportverslaggever elk weekeinde voor de krant op pad, maar steeds was er kritiek op zijn afwezigheid bij voetbalwedstrijden. Dat gaf pittige discussies die meestal eindigden in de vaststelling dat er toch geen betere voorzitter te vinden was.
Nu, op die jaarvergadering in de herfst van 1963, gaf hij er toch ineens de brui aan. Hij had wel wat over zich van iemand die denkt onmisbaar te zijn en in zekere zin was hij dat inderdaad, althans met zijn kwaliteiten. Hij wist niet altijd even tactvol om te gaan met kritiek, vatte dat nogal eens op als een persoonlijke aanval. Op de één of andere manier was hij toch tot het inzicht gekomen dat hij het stokje moest overdragen. Het was natuurlijk niet dáárom dat hij meteen Erelid werd. Dat was vanwege de kracht van zijn persoon die Read Swart door lastige perioden had geloodst.

Jouke Lukkes

Op 17 februari 1911 kwam in Beneden-Knijpe, schuin tegenover de slagerij in een inmiddels verdwenen huis aan het voetpad langs de vaart, Jouke Lukkes ter wereld. Hij was het enig kind van Kees en Zwaantje Lukkes. In 1922 verhuisden ze naar het huis iets oostelijk van de overkluizing waar later de familie Zwolle woonde. Jouke en zijn gezin woonden het grootste deel van hun leven daarnaast, vlak aan de overkluizing. Nu staat er een nieuw huis tussenin. Jouke huwde in 1937 Anna Siebenga. Ze kregen twee kinderen, Sietske en Kees. Na de lagere school bezocht Jouke de MULO in Heerenveen en kwam vervolgens te werken bij het nog steeds bestaande assurantiekantoor Zevenwouden. Na zijn militaire diensttijd (1931-1933) begon hij als boekhouder bij de melkfabriek “’t Meer”. Toen de fabriek begin jaren zestig dicht ging, kwam Jouke terecht bij Tectronix in Oudeschoot, verhuisde naar de Bottemastraat in Heerenveen en gaf bijgevolg het secretariaat van Read Swart op. Dat was in 1964. Hij was 32 jaar secretaris geweest.
Na Jouke’s pensionering, in 1976, keerde het gezin terug naar het oude huis in De Knipe. In 1991 verhuisden ze naar een aanleunwoning in Gorredijk, waar Jouke in oktober 1994 overleed. Hij had tot bijna z’n 80ste in de Toto-Lottocommissie gezeten.
Jouke kon zijn leven lang goed overweg met Abe de Vries, ondanks of misschien wel dankzij hun tegengestelde karakters: Abe dwingend en overheersend voor zijn omgeving. Jouke introvert, wat stug in de omgang, een toonbeeld van degelijkheid.
Hoewel lange jaren vanuit Jouke’s huis werk voor Read Swart werd verricht (stencillen van clubbladen, gereedmaken van de ballen), was huize Lukkes geen bruisend brandpunt van voetballeven.

Doordat Abe de Vries er ’s zondags niet was, was secretaris Jouke Lukkes feitelijk de eerste bestuurder van Read Swart. Hij regelde de “dagelijkse” gang van zaken.
Jouke Lukkes maakte deel uit van het oprichtingsbestuur van de vereniging, en werd met zijn secretariaat alleen onderbroken van 1931 tot in 1934 (vervangen door Johannes Koopmans vanwege militaire dienst). Samen met Abe de Vries en Gosse van Roeden loodste Jouke Read Swart door de moeilijke laatste oorlogsjaren.
Dat Read Swart als een jongensclub begon, is eenvoudig af te lezen aan de jeugdige leeftijd van 18 jaar, waarop Jouke Lukkes secretaris werd, in 1929.

Jouke Lukkes’ inzet voor Read Swart duurde zo ontstellend lang, werd met zoveel trouw, betrokkenheid en intensiteit uitgevoerd, dat wanneer er íemand is die de “Read Swarter van de Eeuw” zou moeten worden, dat zonder twijfel Jouke Lukkes zou zijn. Toch duurde het tot 1970 voordat hij tot Erelid van Read Swart werd benoemd

Sietse Koen

Sietse Koen is het oudste kind uit een gezin met negen kinderen en het enige Erelid dat nog in de 19de eeuw is geboren; op 17 juni 1893 in Gorredijk. Twee van zijn broers hadden ook met Read Swart te maken; Anne en Piet. Anne was de vader van onder anderen Janke van der Weg-Koen, de moeder van oud-eerste elftalspelspelers Cor, Adri en Joan van der Weg. Piet was de vader van Trijntje en Henk en de stiefvader van Jan Nijholt.
Sietse Koen was getrouwd met Ymkje Weiland (1896-1974). Ze kregen één zoon, Henk. Deze stierf in de oorlog aan het Oostfront, tragisch genoeg in Duitse dienst. Verder waren er twee dochters: Sjoerdje en Tjitske, die beiden zijn overleden. Sietse Koen woonde in Boven-Knijpe op drie verschillende plekken. Op de laatste daarvan, nabij het boterfabriekje (in de ‘lange jammer’), raakte hij in de jaren dertig in de ban van Mussert en hij heeft zich door zijn werk voor de NSB later bij menigeen onmogelijk gemaakt, uiteraard vooral toen het vaderland werd bezet. Vele Knypsters en Bonteboksters kunnen in hem moeilijk een “foute” man zien, door anderen wordt hij wel verantwoordelijk gehouden voor kwalijk gedrag zoals het aangeven van dorpsgenoten die zaken ondernamen die de bezetter niet welgevallig waren. Abe de Vries en Sietse Koopmans, wellicht ook Foppe Brouwer, zouden daarvan slachtoffers zijn. In de crisisjaren dertig leek voor vele kleine boeren en grondwerkers als Sietse Koen de NSB als enige een sprankje hoop op een beter leven te bieden.

Sietse Koen was een uitnemende sportman. Zo was hij een perfecte schaatser, deed enkele keren mee aan de wedstrijd van de Elfstedentocht en won daarmee ook prijzen. Als er maar een flintertje ijs in de sloten lag, waagde Sietse zich al op de smalle ijzers. Hij zeilde ook graag, volgde jaren achtereen fanatiek het Skûtsjesilen. In zijn schuurtje in Bontebok had hij gymnastiektoestellen staan, niet voor de show: hij gebruikte ze daadwerkelijk.

Voor de oorlog was Sietse Koen de grote motor achter Read Swart. Hij was op en top sportman in een tijd waarin sport onder het gewone volk weinigen wat zei, het was lang een bezigheid voor kwajongens. Door deze status en doordat hij een jaar of vijftien, twintig ouder was dan al die Knypster ‘kwajongens’, lag het voor de hand dat hij aanvoerder van het enige Knypster voetbalteam was, dat hij voorzitter van Read Swart werd (1929-1940), op de fiets meeging met adspirantenwedstrijden, onderweg lekke banden plakte, de zorg had over de bal. Waarschijnlijk komt de naam “Read Swart” door hem. Sietse gaf trainingen, kalkte het veld en spijkerde de noppen van voetbalschoenen weer stevig vast. Hij voetbalde tot na zijn veertigste.

Toen zijn verbanning een beetje in vergetelheid raakte, en met name na het aftreden van Abe de Vries als voorzitter (1963) verscheen Sietse Koen weer bij wedstrijden van Read Swart. Hij werd (mede-)leider van de A-junioren en bemande nog jarenlang het kassahokje bij wedstrijden van het eerste elftal. Hij werd meer en meer een soort troetel-pake bij de club. Dat bleek wel toen op 14 mei 1972 het eerste elftal kampioen was geworden en een delegatie van de spelers en het bestuur Sietse Koen opzochten in het ziekenhuis. Het duistere verleden bleef als een waas steeds om hem hangen, waardoor het toch wel moed heeft gevraagd van het bestuur om Sietse Koen in 1970 als Erelid benoemd te krijgen.
Sietse Koen overleed op 8 augustus 1977.

Pier de Jong

Pier de Jong is een geboren Bontebokster (1916, toen heette het daar Nieuwehorne). Pier kreeg één broer, Albert. Het gezin verhuisde in 1920/21 naar De Knipe, tegenover Voetberg, ongeveer waar de christelijke school heeft gestaan. In 1923 werd Pier getroffen door roodvonk, want hem onherstelbare doofheid toebracht en zijn leven een onverwachte wending gaf. In die periode verhuisde het gezin een 150 meter richting Heerenveen, nabij waar nu de oude toegang tot de ‘nieuwbouw-zuid’ is. Vader De Jong was tuinman bij kwekerij Van der Mei, later werd hij zelfstandig.
Pier ging de kleermakerij in omdat dat destijds een goede toekomst bood voor mensen met gehoorproblemen. Hij begon bij Binnerts in De Knipe, ging daarna in de leer in Sneek, vervolgens voor een paar jaar naar Ermelo. In Amersfoort haalde hij zijn diploma’s. Vervolgens kwam hij terecht op leerplaatsen in Amsterdam en Putten, waar kleding voor het leger werd gemaakt. Her en der voetbalde hij.

Tijdens de oorlog kwam hij bij de ondergrondse, werd opgepakt en voor een maand opgesloten in de koepelgevangenis van Arnhem, daarna nog zeven maanden in Amersfoort. Hij kwam vrij met een meldingsplicht, maar vluchtte naar De Knipe. Hij verbleef op verschillende plekken: heel gevaarlijk was het niet, veilig evenmin. Al met al vertoefde hij zes jaar buiten Friesland.
Na de oorlog vestigde Pier zich in De Knipe als zelfstandig kleermaker, in het huis van zijn ouders. Hij ontmoette Tine Zwier van de Zestienroeden in 1950, huwde haar in 1953, hetzelfde jaar als waarin ze het huis op de Tramweg kochten waar ze 47 jaar hebben gewerkt en gewoond. In 2000 verhuisden ze naar Heerenveen.
Een kleermaker werkte niet alleen voor particulieren, maar vooral voor “uniform-klanten” als gemeenten, Philips, Batavus, begrafenisverenigingen, fanfares en harmonieën.

In 1926 begon Pier met kameraden aan de Zestienroeden te voetballen. Hij speelde in de beginjaren bij Read Swart totdat ruzie daaraan voor vier jaar een einde maakte. De oorzaak was dat nogal wat jongens graag voetbalden, maar geen zin hadden aan die ellenlange fietstochten. Ze speelden alleen thuiswedstrijden. Aan uitwedstrijden hadden ze een broertje dood. Anderen, waaronder Pier, kwamen wel bij alle wedstrijden opdagen. Dat leidde er wel eens toe dat deze spelers bij thuiswedstrijden reserve stonden. Op zeker moment was de maat vol en Pier vertrok met enkele medestanders naar v.v. Langezwaag. Na die periode (1932-1936) speelde hij nog kort in De Knipe, maar vertrok spoedig voor zijn kleermakers-leerjaren naar de Veluwe. Na de oorlog speelde Pier nog maar weinig meer en stopte uiteindelijk helemaal wegens knieletsel.
In 1952 volgde Pier de Jong Gosse van Roeden op als penningmeester van de club. Als zelfstandige kon hij goed met de centen overweg (hij liet eens de baan als Boerenleenbank-kassier in Langezwaag schieten wegens te weinig verdiensten maar had daar vanwege het pensioen later spijt van). Hij bleef penningmeester tot 1964, was vervolgens twee jaar algemeen bestuurslid en van 1966 tot 1971 voorzitter. Bij zijn afscheid werden zijn 21 jaren bestuurslidmaatschap beloond met het Erelidmaatschap.

Pier werd nogal plompverloren voorzitter na het betreurde overlijden van Jouke de Jong. Voor iemand met een gehoorhandicap was voorzitterschap geen voor de hand liggende taak. Hij was er wel de man naar om zich gestreeld te voelen met zo’n gewichtige functie maar het heeft veel van hem gevergd.
Het penningmeesterschap is hem het meest bijgebleven, vooral vanwege het altijd maar weer langs de deuren gaan om contributie. Verder viel het werk bij de club wel mee. Het was ook een gezellige tijd; de wereld was klein, na de oorlog was het sociale leven in dorpen sterk en saamhorig. In de jaren zestig veranderde dat. De vaart werd gedempt, de kroegen en winkels verdwenen de één na de ander, de lagere scholen fuseerden, Boven- en Beneden-Knijpe werden één, Read Swart kreeg een nieuwe accommodatie, er woei een andere wind, mensen kregen andere voorkeuren, werden meer op zichzelf.

Pier overleed op 1 maart 2009, op 92e jarige leeftijd.

Herman Minkema

Op de ouderlijke boerderij tegenover de Boven-Knijpster ijsbaan kwam Herman Minkema op 8 december 1921 ter wereld. De boerderij is gesloopt en vervangen door een ‘boerderette’.

Herman had drie broers, Durk, Meine en Fokke, en een zus, Janke.
Herman volgde de ambachtsschool en was een poos timmerman. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij boer op de ouderlijke ‘pleats’, samen met Durk en Meine. Omdat vader Siebe in de ledenlijsten van de NSB voorkwam en wat bijverdiende met zwarte handel, werd hij na de oorlog in Wolvega geïnterneerd. Het was kruimelwerk geweest en “fout” kon men hem als zovelen al helemaal niet noemen, het vee werd de Minkema’s wel (tijdelijk) ontnomen. In gevangenschap overleed Siebe, nog maar 46 jaar oud.

Het vee kwam terug, de broers boerden weer maar niet voor lang: Meine en Durk trouwden en vestigden zich elders. Herman bleef over, tegen wil en dank.
In 1955 trouwde Herman met Harmke de Boer, dochter van de hellingbaas in De Knipe, waar nu de praam als monument van hun meest bekende werkzaamheden ligt.

In 1969, op zijn 48ste, raakte Herman bij de ijsbaan met een koe in de sloot en alle opgekropte onvrede met het boerenbestaan leek tot uitbarsting te komen. Woedend kwam hij thuis met de kreet dat hij “de hele bende wilde verkopen”. Harmke was kordaat en stemde meteen in: het boerenwerk lag hem niet, het gaf hem geen voldoening, hij werd er niet gelukkig mee. De Minkema’s deden het bedrijf van de hand en verhuisden naar Heerenveen, de Nieuwstraat. Wat een opluchting! En eindelijk de baan naar zijn hart: onderhoudsman bij de Bouwvereniging. Hij deed dat werk met veel plezier.

Begin jaren tachtig kreeg Herman last van de Ziekte van Parkinson die erger en erger werd en in 1985 leidde tot vervroegde pensionering. Op 6 oktober 1995 overleed Herman Minkema. Hij en Harmke hadden moeilijke laatste jaren doordat Herman ook steeds meer last kreeg van dementie.

Herman voetbalde tot zijn 50ste, wat destijds uitzonderlijk lang was. Trainen deed hij nooit; dat werd door boeren en boerenknechten niet gedaan: geen tijd. Bovendien was er bijna nooit kunstlicht. Naar uitwedstrijden fietsten de spelers, wel tot Noordwolde toe. Er is wel altijd in competitieverband gespeeld; in de FVB (Friesche Voetbal Bond).

Er op uit met spelers en dan met name jeugdspelers, dat was Hermans lust en leven. Hij genoot faam als de beste kameraad die je je als voetballertje kon indenken. Altijd een zak snoep paraat. Herman was altijd in de weer om nieuwe voetballertjes bij Read Swart binnen te halen; die omgang met de jeugd ging hem goed af en het leek alsof hij er energie uit haalde.

Herman deed voor Read Swart daarnaast allerlei onderhoudswerk. Vele jaren was hij consul, Elftalcommissielid en bestuurslid. Elftalcommissievergaderingen werden in de regel gedurende de competitie elke week gehouden, bij de leden om beurten thuis (onder anderen Hielke de Vries, Jouke Lukkes, Wiebe Veenema en Harm Fabriek). Bestuursvergaderingen waren er maar een paar per jaar en werden vaak in de kroeg gehouden.

Herman werd Erelid in 1976, toen hij afscheid nam van het bestuurswerk. Nog vele jaren kwam hij in De Knipe, bij Read Swart. Hij bezocht trouw voetbalwedstrijden en het schutjassen. Velen staat nog het beeld op het netvlies van Herman, al dan niet naast zijn “Zus”, met hun hondje in de mand achter op de fiets.

Tjeerd Zondervan

Tjeerd Zondervan is geboren op 14 januari 1940 in Beneden-Knijpe, in de bakkerij van zijn ouders. Later kwam daar mevrouw Ritskes te wonen, tegenover het huis van Sander Krikke, naast melkboer Henk de Jong. In de streek ’t Meer-De Knipe-Bontebok waren in die jaren acht bakkers actief. Dat was dus geen vetpot voor het gezin Zondervan, waar zes kinderen waren.
In 1946 was Tjeerd, de jongste, zes jaar oud toen zijn vader stierf. In oktober van dat jaar werd de bakkerij verkocht aan Mulder. In 1963/64 werd daar de bakkerij beëindigd.
Na de verkoop van het bedrijfje verhuisde het gezin Zondervan naar het huis waar later de familie Thijs woonde, tussen het houtstek van Meijer en Wiebe en Riekje Talman.

Het gezin Zondervan bleef geplaagd door zware tegenslagen: moeder werd ziek en verbleef vanaf 1954 in Friesburg, aan de Falkenaweg in Heerenveen. De kinderen hadden toen een moeilijke tijd. De oudste, Ike -een kameraad van Pier de Jong- was kostwinner. Tjeerd ging naar de ULO, maar hield dat na drie jaar voor gezien. In 1957 kwam hij in dienst bij bakkerij Lok en ging daar ook in de kost. Tjeerd maakte er lange dagen: ’s ochtends bakken, ’s middags uitventen. Lok had drie venters. Door de week ging het eigenlijk alleen om brood, zaterdags werd ook koek en beschuit verkocht.
Betalen deden de klanten eens per week. Dat betekende elke dag administratie bijwerken.
In 1973 deed Lok de bakkerij over aan Hilco Boonstra. Die leunde de eerste jaren sterk op de lange ervaring van Tjeerd, die een soort gezinslid was.
In 1979, de drie zonen van Boonstra werden ook ouder, verhuisde Tjeerd naar de Primulastraat in Heerenveen; voor het eerst buiten De Knipe. In 1990 keerde hij terug toen hij ging inwonen bij Jenny van Roeden, de weduwe van zijn kameraad Oepie (die ook voor Sietse Lok ventte).
In april 1995 kwam vervroegd een einde aan Tjeerds werkzame leven: hij kwakkelde met zijn gezondheid en hij leek opgebrand. De venterij kwam al in 1990 tot een eind.

Het was in de jaren vijftig dat Tjeerd bij Read Swart begon te voetballen. Hij zal 14, 15 jaar zijn geweest. Erg veel jonger werd toen niet begonnen. Later speelde hij als vaste rechtsmidden in het tweede en in het derde, ten minste als er een derde was. Trainen deed hij nooit. Tjeerd was geen buitensporig talent. In oktober 1968 speelde Tjeerd zijn laatste wedstrijd: tijdens Read Swart 3- Oldeholtpade 3 scheurde hij zijn kniebanden, liep acht weken in het gips en heeft daarna nooit weer gevoetbald.
In het daaropvolgende jaar raakte hij betrokken bij de jeugd van Read Swart, waar hij trainingen verzorgde en vanaf 1970 elftalleider van de A-junioren werd, samen met de oude Sietse Koen en zijn kameraad Oepie van Roeden. Het kampioenschap van 1978 is een mooie herinnering aan die periode, iets minder mooi de moeite die het vaak kostte om de jeugd op zondagochtend op tijd uit bed te krijgen. De A’s speelden toen op zondagsmorgens. In 1980 maakte hij de overstap naar het leiderschap van het derde, een paar jaar later naar het tweede, waarmee hij in 1985 kampioen werd. In 1987 kwam aan het leiderschap een einde.

Vele Knysters kennen Tjeerd Zondervan vooral als lid van de Totocommissie. Elke week besteedde hij een hele avond aan het ophalen van de formulieren in De Knipe en bracht ze vervolgens naar Abe-Luts de Vries. Dat toto-lottowerk duurde van 1957 tot het einde, omstreeks 1990. Hij heeft er nog een mooi schrijven van de KNVB van gekregen. Ook ontving hij een speld van de bond wegens lang volgehouden scheidsrechterwerk (1967-1975).
Tjeerd is ook consul van Read Swart geweest (1970-1975) en bestuurslid van 1969-1975. Al met al een ‘warber’ leven, dat op wel bijzondere manier onder de aandacht werd gebracht met de benoeming tot Erelid op uitgerekend het gouden jubileum van Read Swart in 1979.

Hielke Hoekstra

Hielke Hoekstra werd op 25 mei 1931 geboren aan de vaart in Boven-Knijpe, waar het toentertijd nog gemeente Opsterland was. Hielke had twee broers (Jan, van de Woudsterweg, was penningmeester bij Read Swart, en Geelke), en drie zussen (Oentje, getrouwd met Jan Nijholt, Trijntje en Geeske, die jong is gestorven). Heit Hoekstra werkte in de jaren van grote werkloosheid in de DUW/werkverschaffing, werd daarna boerenarbeider en kwam vervolgens in dienst van het waterschap.

Hielke werd ook boerenarbeider. Hij diende drie bazen maar bleef het langst bij Trinks. Daar trof hij Margje Postma, die boerenmeid bij de familie Trinks was. Hielke en Margje trouwden in 1959 en kwamen te wonen in het arbeidershuis van boer Trinks, naast de boerderij. Later gingen daar Gosse en Attie Kootstra wonen. Hielke en Margje kregen vier kinderen; Eise (1963), Lammert (1968), Geeske (1972) en Wiepkje (1975), waarvan opvallend genoeg drie later in het Read Swart-bestuur hebben gezeten. Ze hebben allen bij de club gevoetbald. 

Halverwege de jaren zestig werd al dat personeel voor de boeren te duur en ook Trinks moest zijn mensen de deur uit doen. Hielke kwam zodoende in 1965 bij het waterschap en bleef daar tot 1989. Het toen (1965) nog driekoppige gezin verhuisde naar een huis boven Tweede Wijk in Bontebok, dat ze kochten. In 1974 kochten ze het rood-bakstenen huis aan de dorpsrand van Bontebok, waar ze bleven.
Hielke en Margje zijn typische vertegenwoordigers van de generatie van de wederopbouw; ze hebben altijd hard gewerkt, het was geen vetpot, maar wel een goed leven waar nergens tekort aan was. 

In het begin van de oorlog, Hielke was amper elf jaar, kwam hij bij Read Swart. Het jeugdploegje waarin hij terecht kwam, speelde wedstrijden op uitnodiging, dus in de buurt. Alles moest immers met de fiets en de oorlog beperkte de mogelijkheden van de voetbalsport meer en meer.
Hielke bleef tot begin jaren zestig voetballen, Margje korfbalde. Hielke was vaste linksvoor in het eerste. Hij speelde er zo’n twaalf jaar in. Er werd toen eens per week getraind, op het veldje op de hoek Ds.Veenweg-Jonkmanweg. Jan de Vries uit Jubbega, broer van de beroemde voetballer Grietus, was één van de trainers. Zondags was er geen trainer, dan werden de zaken geregeld door de teamleiders. Dat waren lang Minne Stoelwinder en Harm Fabriek.

Veel spelers waren boerenarbeider en moesten na de wedstrijd onmiddellijk naar de koeien. Immers; om zes uur kwam de melkvaarder al vanaf de melkfabriek in Bontebok of ’t Meer om de melk op te halen. De melkbussen moesten dan beslist ‘op het stap’ aan de vaart staan. Hielke herinnert zich daardoor niet dat voetballers na de wedstrijd in het café van Jan en Rins bleven hangen. Margje meldt dat korfballers dat wél deden.
Toen Hielke begin jaren zestig met actief spelen moest stoppen, werd hij leider en trainer bij de jeugd. Dat deed hij een jaar of vier, maar met zijn werk was dat lastig combineren. Al eerder, zo omstreeks 1950, begon hij Henk Koen te helpen met het prepareren van het veld. In herfst en voorjaar, als hij vanwege de lange werkdagen pas in het donker op het voetbalveld aan de slag kon, moest nogal eens de zaklantaarn er aan te pas komen om het spoor recht te houden, ook al lag de ene lijn vlak bij de sloot en de ander rakelings langs de openbare weg. Het kalken bleef Hielke tot juni 1999 volhouden. Dat is een onderschatte taak: niemand ziet het maar het kost veel tijd en moet minstens eenmaal per week. Aanvankelijk werd belijnd met carbid. Daar hield Henk Koen vlakbij één van de goals een voorraadje van aan. Menige moeder van bezoekende keepers heeft de Read Swart-kalkers vervloekt: carbid in je (katoen-flanellen-wollen) kleding is lastig te reinigen.

Van 1963 tot 1987 was Hielke Hoekstra bestuurslid, altijd als “commissaris” wat destijds zoveel wilde zeggen als ‘zonder specifieke portefeuille’. Louter omdat hij poeha wilde voorkomen bij zijn 25-jarig bestuurslidmaatschap, hield hij daar mee op. Twee jaar later kwam die “poeha” er toch nog van, toen hij samen met zijn zwager Jan Nijholt Erelid van Read Swart werd, tijdens de viering van het zestigjarig bestaan van Read Swart.

Een jaar of tien was Hielke lid van de Elftalcommissie (1963-1973). Dat was een stuk meer werk dan in het bestuur, al was het maar vanwege de wekelijkse bijeenkomsten, het papierwerk en dat je bij afgelastingen zowat alle spelers langs moest fietsen omdat nog niemand een telefoon had. Hij floot toen ook veel wedstrijden; bij de jeugd, maar ook wel lagere senioren. Grensrechter bij het eerste elftal was Hielke van halverwege de jaren zeventig (na Geert de Vries) tot halverwege de jaren tachtig.
Hielke Hoekstra bleef een trouwe supporter, vooral van seniorenteams en met name van het eerste.
Hielke Hoekstra overleed op 3 september 2014 op 83-jarige leeftijd.

Jan Nijholt

Jan Nijholt kwam in 1927 in Oldeholtpade ter wereld als zoon van een ‘boerenfaam’, zoals dat toen heette. De eerste vier jaar van zijn leven werd Jan door pake en beppe Nijholt in hun woning in Oldeholtpade grootgebracht.
In 1932 trouwde mem met Piet Koen, een broer van Sietse (Erelid) en Anne. Het gezin kwam in Bontebok te wonen, achter de boerderij van later Sipke Heida en Hendrik van Riesen. Ze verhuisden enkele keren, maar bleven steeds in de buurt. Heit en mem kregen nog een dochter, Trijntje, en een zoon, Henk.
Jan trouwde Oentje Hoekstra, een zus van Erelid Hielke, in 1950. Oentje kwam ook uit Bontebok. Met dat trouwen kwam het voor velen als een verrassing dat Jan niet als achternaam Koen heette, maar Nijholt, zijn moeders achternaam. Daar is later nog de nodige trammelant van gekomen. Jan werd boerenarbeider en na hun trouwen trok het jonge paar naar Tjerkgaast om daar drie jaar in het arbeidershuis van een boer te wonen. Door hetzelfde werk togen ze vervolgens naar de Schoterlandseweg in Katlijk (twee jaar) en vervolgens dertien jaar aan de WA Nijenhuisweg. Toen kochten ze het lieflijke roodstenen huisje, schuin tegenover de Herberg, en woonden daar liefst 22 jaar.
Toen Oentjes vader bij het waterschap ophield, kon Jan zijn plaats innemen. Ook dat was zwaar werk, maar het was geregeld werk, je had meer vrij, hoefde niet voor dag en dauw te beginnen en je had vastigheid.
Jan en Oentje kregen drie kinderen die ook alledrie bij Read Swart speelden, de oudste zelfs extreem lang: Piet (1951), Eise (1956) en Tineke (1960).
Toen Tineke een moeilijke fase in haar leven doormaakte, verhuisden Jan en Oentje naar haar omgeving om haar bij te staan: in 1990 kwamen ze te wonen in Jubbega-Derde Sluis.

Jan begon in de laatste oorlogsjaren te voetballen bij Read Swart, tegen de zin van zijn vader Piet. Na de bevrijding moest hij in dienst en vertrok daarna voor drie jaar naar Tjerkgaast. Toen ze in Katlijk weer in de buurt terugkwamen, begon Jan opnieuw de Read Swart-kleuren te verdedigen; Oentje kwam weer bij Kinea. Jan voetbalde tot halverwege de jaren zeventig. Hij was toen 48, maar een tanige, sterke man. Het lichaam kreeg natuurlijk bij het waterschap dagelijks ‘onderhoud’.
Oentje heeft liefst twaalf jaar de gebouwen van Read Swart schoongemaakt. Zij is een precieze vrouw die het ‘zó en niet anders!’ wil hebben. En het voetbalvolk is vaak ruw en ongemanierd. Dat gaf nogal eens wrijving en menigmaal banjerde Oentje mopperend langs het veld, hoofdschuddend over hoe voetballers soms de kleedkamers toetakelden.

Jan was vele jaren elftalleider van het derde. Maar bovenal is hij bekend doordat hij vanaf het midden van de jaren vijftig, vanaf het prilste begin, een route liep met de toto. Heel veel mensen, niet alleen voetballeden, voorspelden destijds een dertiental uitslagen van wedstrijden uit het betaalde voetbal (bijvoorbeeld: Zwartemeer-RCH: bij een kruisje in het eerste vakje won Zwartemeer, in het tweede RCH en in het derde werd het gelijkspel). Read Swart had daarvoor de licentie, maar organiseerde en profiteerde altijd samen met Kinea. Later kwam ook OKC erbij. Als alles was opgehaald, werden de spullen naar Abe-Luts gebracht, waar steevast de kat des huizes de welverdiende koffie-met-koek bedreigde door brutaal over tafel en langs de stapels formulieren te lopen.
Tot ver in de jaren zeventig, misschien wel tot de komst van het clubhuis in 1979, waren de inkomsten uit de toto (later toto-lotto) onmisbaar voor de verenigingen. Jouke Lukkes regelde het lang namens Read Swart, Jellie Engelsma later. Tot in de jaren negentig liepen mensen wekelijks een vaste route. Jan had Katlijk, Bontebok en een deel van De Knipe. Die ijzeren betrouwbaarheid, tientallen jaren achtereen (een kleine 35 jaar), week-in, week-uit, dwong veel respect af.
Bij de viering van het 60-jarig bestaan van Read Swart, in de zomer van 1989, werd Jan Nijholt, samen met zijn zwager Hielke Hoekstra, Erelid van Read Swart. Jan Nijholt overleed op 28 juni 2008 op 81-jarige leeftijd.

Jan Heida

Jan Heida kwam op 7 juni 1932 ter wereld in het café op de hoek in Beneden-Knijpe. Hij bleef daar wonen tot 1944, toen vader Aant Heida de kroeg verkocht aan Jaap Bouma. Het gezin verhuisde naar het pand van Binnerts (waar Pier de Jong de eerste beginselen van het kleermakersvak leerde), waar later Kees Hornstra kwam te wonen. Het huis staat tegenover de kroeg aan de Tramweg.
Naast kastelein was Aant Heida vertegenwoordiger van de CAF, de coöperatie waar boeren vroeger hun boerenspullen kochten, vooral krachtvoer, kunstmest en gereedschappen en werktuigen. Vertegenwoordigers als Heida hadden vaak ook wat voorraad bij huis, zoals ‘zwarte brand’ (steenkool voor de kachel), maar ook wel meel.
Later verhuisden de Heida’s naar de bungalow waar dochter Jannie met haar man Sies Koopmans weer veel later kwamen te wonen. Jannie is Jans enige zus, broers heeft hij niet.

Jan wilde graag naar de ambachtsschool om automonteur te kunnen worden, maar daar kwam niks van in: hij moest het hogerop zoeken. Heit en mem stuurden hem naar de ULO. Dat hield Jan twee jaar vol. Op zijn 16de had hij er schoon genoeg van en ging voor de CAF als zakkensjouwer op pad: met de transportfiets, met de bakfiets, met de praam en later met de vrachtauto. Het was zwaar werk omdat alle goederen waren verpakt in voor de boeren handige, maar voor de transporteur beroerde hoeveelheden. Zo zat meel en ruwvoer vaak in vijftig kilo-zakken, stikstof ging per 75 kilo en slakkenmeel zelfs in 100 kilo-zakken. Alles moest gebracht worden precies op de plek die de boer aanwees. Ja, het zakkensjouwersvak bij de CAF was zwaar. Jan haalde tussendoor nog de Avond Handelsschool, waar véél later nog de kantine van Read Swart op kon ‘draaien’.

De ervaring als vrachtrijder kwam van pas toen hij op zijn 19de in militaire dienst kwam in Ede/Wageningen, later in Oirschot en ’t Harde. Hij werd chauffeur bij de artillerie.
Na de twee jaar dienst kwam Jan weer bij de CAF, waar hij bleef tot 1960. Op z’n 28ste kwam hij bij Jaap Wind op de betonmixer, later op de kieper. Op vijf jaar Jappie Wind volgden vijf jaar personenbuschauffeur bij de NTM, de busmaatschappij uit Heerenveen. Daarna volgden liefst 21 jaar als conciërge bij de gemeente (Sociale Dienst). Met 59,5 jaar, in 1991, jaar kon hij daar gebruik maken van de vroegpensioenregeling.

Jan Heida en Gretha Jager trouwden in 1957. Gretha, een geboren Bontebokster, kwam toen uit Boven-Knijpe. Ze gingen wonen in Heerenveen, vanaf eind jaren zeventig in ’t Meer, in de nieuwe huizen op het landje van Eppie van der Schoot tussen Veensluis en ‘t Meer. Daar kwam Jan zo’n beetje tegenover zijn zus Jannie te wonen. Na 17 jaar togen ze naar Luxwoude en keerden vervolgens weer terug naar ’t Meer, al zal menigeen de vroegere woning van Barteld Dijk -tegenover de boerderij van Keuning- als De Knipe zien.
Jan en Gretha kregen drie kinderen: Arie (1957), Anne-Henk (1960) en Jannie (1964).

Jan begon bij de oudere jeugd van v.v. Heerenveen met voetballen en bleef daar tot zijn diensttijd. Daarna kwam hij bij Read Swart. Hij hield het op zijn 25ste voor gezien, vooral uit ergernis over slechte begeleiding van wedstrijden. Jan staat op een kampioensfoto van Read Swart 1 in 1952, maar voetbalde meer in het tweede.
Anders dan anderen herinnert Jan zich wel trainingen uit de jaren vijftig. Het verkleden stelde weinig voor, werd wel in de kroeg gedaan, net als het wassen, al deden alleen de niet-boerenarbeiders dat. Naar uitwedstrijden werd gefietst en omdat niet iedereen daar altijd zin in had, waren er nogal eens spelerstekorten.
 
Pas toen zoon Anne-Henk bij Read Swart kwam, raakte ook Jan Heida weer bij het voetballen in De Knipe betrokken. Dat was in 1973. In 1974 begon hij met het opnieuw op poten zetten van het jeugdvoetbal bij Read Swart. Dat werd met name gestimuleerd door zijn kennis Piet Adema, die in die jaren clubvoorzitter was. Door de nieuwe accommodatie en de nieuwe fusieschool tegenover de Moskepaden, beide in 1968, had Read Swart aardig meer jeugdleden gekregen. Daar was het oude kader niet op berekend. Jan Heida kreeg naast het jeugdwerk al snel ook de administratie van de leden en de donateurs erbij. In 1977 kreeg hij een bestuurszetel als jeugdsecretaris.
In 1974 begon Jan, op z’n 42ste, weer zelf te spelen. Dat hield hij vol tot z’n 58ste: de Heida’s zijn een taai geslacht.

Door het onverwachte overlijden van Willem Tichelaar, vlak voor het 50-jarig jubileum van Read Swart in de zomer van 1979, werd Jan Heida clubvoorzitter. Hij loodste de vereniging door een onstuimige periode met ambitieuze mede-bestuursleden. Het vergde veel van hem en met enige opluchting gaf hij in 1983 de hamer terug. Na een korte interim-periode met Siebrand Krul als voorzitter/secretaris kreeg Read Swart in de winter van 1983/84 in Jouke Engelsma een nieuwe voorzitter.
Voor Jan Heida bleek dat een gouden greep: tot Jouke’s overlijden in november 1993 konden die twee het uitstekend met elkaar vinden en brachten ze voor Read Swart veel goeds tot stand. Met hun echtgenotes Gretha en Jellie verzorgden ze bijvoorbeeld jaren achtereen de ontvangsten, bezoeken en publiciteit bij wedstrijden van het eerste.

In 1992/93 ontwikkelde zich een conflict binnen de vereniging met een tamelijk onnozele aanleiding (rond de procedure bij het benoemen van een nieuwe hoofdtrainer). Dat en vooral de dood van zijn vriend Jouke Engelsma, bekoelde zijn liefde voor het vrijwilligerswerk dat hij toen al twintig jaar bij Read Swart deed en nog twee jaar volhield. Bij zijn afscheid in 1995 wilde de club voorkomen dat Jan Heida met een vervelende bijsmaak afscheid zou nemen en geen weet zou hebben van de bijzondere waardering voor zijn vele jaren noeste arbeid. Hij werd daarom ogenblikkelijk tot Erelid benoemd. Hij kwam daarna nog vele jaren op doordeweekse dagen bij Read Swart als lid van het onderhoudsploegje.
Jan Heida overleed op 30 april 2018 op 85-jarige leeftijd.

Rikus Bergsma

Rikus (Hendrikus) Bergsma is geboren op 9 april 1947 in Dordrecht. Heit Jan en mem Aukje de Groot waren in Dordrecht op bezoek bij beppe en pake, die daar boerenarbeider was. Rikus heeft een broer, Albert, en had een zus, Jannie (Lid van Verdienste).
De familie Bergsma woonde aan de Job Holkemawijk, in Jubbega-‘België’. In 1960 verhuisde het gezin uit deze wat obscure streek naar de kop van de Gorredijksterweg.
In 1970 trouwde Rikus met Henny Blaauw. De Blaauws woonden aan het voorste eind van de Woudsterweg, die toen onder het zelfstandige dorp ’t Meer viel. Het achterste deel behoorde vreemd genoeg aan Heerenveen.

In het jaar van hun trouwen lieten ze een royale bungalow bouwen aan it Slûske in De Knipe. Daar werden Jan Theo (1971) en Gerard (1975) geboren. In 1984 verhuisde het gezin naar Heerenveen, in afwachting van een definitieve vestiging nabij Rikus’ werk in Woudsend. Dat ging uiteindelijk niet door, zodat ze in Heerenveen bleven hangen.
Rikus volgde twee jaar ULO (Gorredijk) en stapte toen over naar de ambachtsschool (smeed- en bankwerk, ook in Gorredijk). Hij kon daarna aan de slag in de machinefabriek van Van Wijngaarden aan het Molenplein in Heerenveen, dat is nu aan de westelijke achterzijde van de winkels aan de Dracht. Al na een jaar stapte hij als onderhoudsmonteur over naar baggerbedrijf Krikke. Aan de Leeuwarderstraatweg bleef hij zestien jaar werken. Toen het werk bij Krikke minder werd, stapte Rikus Bergsma over naar de machinefabriek van Kuipers in Woudsend. Dat maakt vooral roestvrijstaalconstructies en is veel in het buitenland actief. Rikus bleef daar dertien jaar en zou erheen verhuizen, maar toenemende spierklachten (rheuma en nekhernia) haalden een lelijke streep door de rekening. Op zijn 46ste moest hij gedwongen stoppen.
Na een half jaar thuis stapte hij, zonder het toen te weten, definitief over van het bedrijfsleven naar soortgelijk maar lichter werk in de welzijnssector. Eerst was dat De Schakel (later Wouden-groep/Friese Wouden) als adaptiemedewerker (‘revalidatietoesteltechnicus’), aanvankelijk in Beetsterzwaag, later in Drachten. Hij werd daar assistent-werkleider en bleef dat toen hij in 2004 de overstap maakte naar Caparis Heerenveen.

In Jubbega voetbalde Rikus Bergsma tot en met de A-junioren. Pas in De Knipe begon hij opnieuw, in 1971. Dat was in het tweede elftal en die eerste wedstrijd na al die jaren stilstand herinnert Rikus zich goed: zonder noemenswaardige training of andere voorbereiding poeierde hij meteen de bal op de goal en lag vervolgens een week gestrekt thuis te kermen van de spierpijn. Later bleef de technicus toch nog goed mee te kunnen en met het tweede werd hij in 1976 nog kampioen, met Ernst Dikkerboom als elftalleider. Groot feest, want ook het eerste was kampioen geworden. Hij speelde ook nog een jaar of drie in het zaalteam, met Jur Puister als leider.
Hij voetbalde tot ongeveer z’n veertigste, in 1987. Later speelde hij een seizoen in het zesde met Jopie Woudstra als leider. Hij had toen al flink last van spierpijnen.
Eind jaren zeventig begon Rikus zijn vrijwilligerswerk met het begeleiden van de B-junioren met spelers uit de lichting Joan van der Weg, Ype Jager en Eise Hoekstra. Na twee jaar B’s ging hij mee naar de A-junioren en bleef daarvan zo’n acht jaar elftalleider. Hij maakte trainers mee als John de Lange, Berry Zandink, Anton Gerding, Klaas van der Weide, Lammert Hoekstra en Harm Visser. In 1994 kwam er een einde aan, niet toevallig ook het eind van een roerig bestuursseizoen.
Van één van de A-juniorengroepen die in de jaren tachtig naar de senioren overging, zou een Jong-Seniorenteam worden gekneed: de knapen zouden bij elkaar in een team blijven om de steevaste leegloop van deze jonge spelersgroep tegen te gaan. Fred Tolman was als vertegenwoordiger van Bianchi Fietsen de eerste shirtsponsor. Het bleek een onmogelijkheid, al was Rikus van mening dat het had gekund als alle geledingen van de club er achter hadden gestaan. Hij bleef vijf jaar elftalleider van dit team, gelijktijdig dus als van de A’s. Hij zag bijna alle spelers van de eerste lichting vertrekken. 

Rikus en zijn vrouw Henny hebben ook een poos de F’s bij Read Swart geleid en startten het meisjesteam op met onder meer Wya Siebenga en Wiepkje Hoekstra. Er kwamen toen ook meisjes tussen de jongens te spelen.
In 1979, in vele opzichten een roerig Read Swart-jaar met de dood van voorzitter Tichelaar, de opening van het clubhuis en het vijftigjarig jubileum, werd Rikus Bergsma jeugdsecretaris. Jan Heida werd toen voorzitter, Siebrand Krul secretaris. Er zat veel vuur en vaart in dit bestuur, want ook Heerke de Roos en Wim Torenga maakten er bijvoorbeeld deel van uit, naast Hielke de Vries, Uilke Vervat en Hielke Hoekstra.
Na ook nog de seniorenafdeling en het algemeen verenigingssecretariaat onder zijn hoede te hebben gehad, nam Rikus Bergsma in 1997 afscheid van het bestuur, nog bedrukt door de naweeën van de troebelen begin jaren negentig. Het kostte het bestuur veel moeite om hem te overtuigen van de oprechtheid om hem meteen Erelid te maken.

Rikus was een gedreven kaderlid, een emotionele man ook die het hart vaak voor op de tong heeft. Hij kan tegen kritiek, maar is voor anderen wel eens te snel met oordelen. Voor zijn directe omgeving binnen de club was hij geen makkelijke, maar voor zichzelf legde hij de lat ook hoog. Hij hecht aan duidelijke afspraken, goede organisatie en een uitstekende representatie.

Na zijn afscheid van het kaderwerk nam hij fiks afstand tot de club die hij 25 jaar had gediend om pas in 2003 weer mondjesmaat op het Read Swart-terrein te verschijnen. Na de zomer van dat jaar werd hij elftalleider van het eerste team, dat jammerlijk naar de Vijfde Klas was gedegradeerd, maar direct terugpromoveerde.
Ook bijzonder: Rikus Bergsma maakte als bestuurslid het 50-jarig jubileum en het 60-jarig jubileum mee en als elftalleider het 75-jarig jubileum.

Siebrand Krul

Op 8 november 1955 werd Siebrand Krul geboren in Beneden-Knijpe, op de boerderij van zijn ouders die de melkveehouderij van pake en beppe van moeders kant hadden overgenomen. Op deze pleats woonde later de familie Gietema. De stelpboerderij ging door brand verloren; er staat nu een een platte stal en het voormalige appelhof maakte plaats voor een bungalow.
Het gezin verhuisde al na twee jaar naar halverwege ’t Meer, vervolgens naar Nijehaske (waar nu de Militaire Apotheek staat) om in 1964 neer te strijken in ’t Meer. Daar werd een boerderij gekocht. Siebrand bleef daar tot 1985 bij zijn ouders en drie zusters (Riekje, Geertje en Klaasje) wonen.
Siebrand kon redelijk leren en mocht als enige van z’n jaargang op de Compagnonsschool naar de zogeheten Rijksscholengemeenschap in Heerenveen. Het was het begin van een rommelige gang langs Heerenveense middelbare scholen, uiteindelijk wel steeds op de één of andere manier met een diploma afgesloten. Ergens in die jaren viel de beslissing om geen boer te worden. De vraag “wat dan wel?” werd vele jaren handig ontweken; steeds maar langer doorleren, vooral met deeltijdopleidingen van de toen nog bestaande MO-Geschiedenis. Daar werd een universitaire doctoraalstudie in Groningen achteraan geplakt.
Toen duidelijk werd dat er geen opvolger op de boerderij was maar het gezin wel van het bedrijf moest leven, bleven investeringen achterwege waardoor veel handwerk gedaan moest worden. Siebrand verdeelde zijn tijd tussen werk op de boerderij, de studie en taken bij Read Swart. Dat ging vele jaren zo door, uiteindelijk tot 1985. Hij verliet toen eindelijk het ouderlijk nest, op z’n 29ste, en verhuisde naar Groningen. Al na ruim een jaar was hij terug in Heerenveen en kocht in 1987 een woning aan het Breedpad in Heerenveen. Sinds 1993 woont hij samen met Janneke de Jong van de Jonkmanwei. Die ontmoette hij bij Read Swart. Ze kregen in 1999 een zoon, Hylke.
Wat men wel meer ziet: ondanks langdurig verblijf elders blijft de oriëntatie sterk op De Knipe gericht. Het gezin Krul weet veel meer wat er in het oude dorp gebeurt dan vlak om hen heen. En ze maken vlak voor de Knypster Merke huis en tuin op orde, alsof ze niet in het centrum van Heerenveen, maar midden in hun geboortedorp wonen.
In de jaren 1966-1968 voetbalde Siebrand bij de ‘welpen’ van v.v. Heerenveen. Dat was een logische keus want het gezin was nog niet zo lang weg uit Heerenveen-Noord/Nijehaske en bovendien was Read Swart aan de Jonkmanwei wel héél ver. De club Heerenveen spande zich traditiegetrouw op geen enkele manier in voor het gros der leden. Het kostte Herman Minkema weinig moeite om Siebrand in de loop van 1968 bij Read Swart te krijgen. In oktober 1968 speelde hij daar zijn eerste wedstrijd; de accommodatie was splinternieuw.
Het kaderwerk bij Read Swart begon met het verenigingsblad. In 1972 raakte Siebrand Krul via A-juniorenleider Tjeerd Zondervan betrokken bij het verenigingsblad. Dat heette ‘de Read Swarte’. Samen met Piet Dijksma nam hij de redactie over. Dat bracht hem ook in contact met bestuursleden. Read Swart verkeerde in die jaren in een langslepende periode van modernisering. Nieuwe bestuursleden als Eldert de Kroon en Rein Soet moedigden initiatieven van jeugdleden aan. Eind jaren zeventig kon Siebrand Krul daardoor een weekblad bij Read Swart, het Jisternijs, op poten zetten. Door die ervaring stond hij mede aan de wieg van weekblad De Compagnon in 1980.
In 1975 vroeg het bestuur hem om het jubileumboek te schrijven dat Read Swart wilde uitgeven bij het vijftigjarig bestaan in 1979. Daar verkeek de jonge onderzoeker zich toch een beetje: er ging ongelooflijk veel tijd zitten in het uitpluizen van de geschiedenis van Read Swart. De archieven waren chaotisch, maar gelukkig leefden nog vele clubmensen van het eerste uur.
Toen het jubileum werd gevierd, was Siebrand Krul inmiddels secretaris in het bestuur geworden. Het waren drukke jaren: van 1978-1982 was Siebrand ook trainer en leider van de C-, later B-junioren, hij bleef nog een poos het Jisternijs maken (later namen Geert Koen, Jannie de Vries, Minco van Dam en Henk van Dam dat over), voetbalde zelf zowel op het veld als in de zaal, volleybalde er ook nog bij, was altijd bij de wedstrijden van het eerste, maar had het vooral druk met het secretariaat. Hij had het voordeel overdag beschikbaar te zijn, waardoor hij veel tijd kon steken in verbetering van de accommodatie (lichtinstallatie, tweede veld, nieuwe kleedkamers en bergingen). Dat was allemaal in de eerste helft van de jaren tachtig.
In 1985 kwam daaraan een einde met de verhuizing naar Groningen. In de tweede helft van de jaren tachtig werd Siebrand, terug in het heitelân, een drietal jaren leider van de Read Swart-zaalploeg (nachtwerk), met Eise Hoekstra vijf jaar leider bij het damesteam en organiseerde samen met Rink de Jong en Hilco van Burum het zestigjarige jubileumfeest van 1989.

In 1994 werd Siebrand Krul gekozen tot voorzitter van Read Swart. Het was een woelige periode. Het eerste elftal was uit de Derde Klas gedegradeerd en de club had een full time trainer in dienst genomen (Harm Visser). Het voorzitterschap geeft compleet andere verantwoordelijkheden dan andere functies binnen de club. Nu telden minder het aantal gemaakte uren alswel de druk om alle geledingen binnen de vereniging te motiveren, beter te maken, de juiste investeringen te doen en in een jachtige tijd de wat abstracte “clubcultuur” te bewaken. Hij schreef daarvoor een nieuw Huishoudelijk Reglement. Vanaf 1998 stak hij de meeste tijd in de privatisering van de gebouwen en een deel van het onderhoud. Deze overdracht van werk van de gemeente naar de club leverde veel geld (en werk) op, waardoor forse nieuwbouwplannen werden gerealiseerd: een groot nieuw gebouw en een grondige renovatie van het clubhuis.
In 2005 kwam na twaalf jaar een eind aan het voorzitterschap. Tijdens de Ledenvergadering werd Siebrand Krul benoemd tot Erelid van Read Swart. Toevallig speelde hij dat jaar ook zijn laatste competitie, na 37 seizoenen. Hij bleef wel trouw aan zijn langstdurende traditie bij Read Swart: met een vast ploegje op woensdagavond trainen, met een uitgebreide ‘nazit’.


Piet de Vries 

 

Piet (Pieter) de Vries kwam op 10 september 1949 in de voorouderlijke boerderij in Boppeknipe ter wereld, de plek waar hij nagenoeg zijn leven lang woonde en waar anno 2016 de moderne ‘boerderette’ staat. Hij is de oudste zoon van Hielke de Vries en Janke Pijlman. Na hem kwamen de kinderen Henk, Baukje en Thom. 

 

Piet doorliep de lagere school van Boppeknipe van meester Van Veen en juffrouw Sjoerdje Bosscher; het gebouw staat er nog, aan de kop van de dorpswijk achter de Jan Jonkmanweg. Hierna toog Piet naar de ULO in Heerenveen, waar zijn luchtige opvatting van het leven een goed besef van het nut van huiswerk in de weg stond. Gevolg: deze vierjarige opleiding kostte hem zes jaar. Een poging om daarna over te stappen naar de MTS mislukte en min of meer als noodsprong schreef hij zich in voor de Middelbare Landbouwschool in Leeuwarden, waar hij veel optrok met Piet Dijksma.

 

Nel, de zon in Piets leven

 

Door gedoe met overschrijven was Piet in het seizoen 1968/69 een jaar van voetbal verstoken. Dat beteerde toch goed, want nu ging hij korfballen (wat hij als jeugdspeler ook deed), in het tweede van Kinea, en liep daar Petronella Stuiver tegen het lijf. Met vrouwen weet Piet wel raad, al blijft het meestal net-aan in het fatsoenlijke, maar met Nel spatten de vonken er af. Heit en mem Stuiver hadden zo hun bedenkingen: Piet zat nog op school, maar reed wel stoer in een ‘snoekebek’ door het dorp: wat is dat voor showbink? Afijn: cupido was niet meer te houden en in augustus 1970 huwden Piet en Nel.

Op 2 januari 1971 werd Hylco Peter in het gezin van Piet en Nel geboren, in 1972 gevolgd door Gitte en Judith in 1975. De families De Vries en Stuiver hadden al wat klappen gehad toen op 9 juni 1973 het onvoorstelbare gebeurde toen Hylco verongelukte. Piet en Nel waren nog jong en wisten slecht raad met deze tegenslag, doolden in een roes door een onwerkelijke levensfase en bleven maandenlang prikkelbaar. Het is vooral de kracht van hun onderlinge liefde die hen door deze akelige periode sleepte.

Beide dochters vonden hun eigen liefdes, maar raakten die ook weer kwijt. Gitte kocht een mooi huis aan de vaart in Oldeboorn en kreeg drie kinderen, van wie zoon Hidde toch wel Piets bijzondere aandacht heeft (en die bij Read Swart voetbalt). Judith had een lange relatie met voetbaltrainer Gertjan Verbeek, die nog altijd een goede huisvriend is en bij het horen van de namen ‘Piet en Nel’ meteen in een blije modus schiet.

 

Boer op de âlde pleats

 

Als jongkerel voerde Piet op de boerderij weinig uit. Pas later, zo rond z’n 17de, vond hij trekkerrijden wel leuk (nog steeds trouwens), maar echt de mouwen opstropen, ho maar. Vrouwen, voetbal en auto’s waren een stuk interessanter dan koeien. De boerderij overnemen? Dat nooit.

Maar ja, door de wat chaotische schoolcarrière was Piet toch in het boerenvaarwater terechtgekomen en toen hij zijn diploma van de landbouwschool haalde, had hij stevige verkering met Nel en moest Piet voor het eerst serieus nadenken over ‘wat nu?’, zeker toen er ook nog een kind op komst bleek. Een taak op de boerderij leek voor Piet niet weggelegd: zijn vader werkte immers al nauw samen met diens tweelingbroer Durk en bovendien was Piets broer Henk veel ‘achter’ te vinden. 

Leek Piet in de jaren zestig nooit volwassen te willen worden, in de zomer van 1970 ging het ineens snel. Broer Henk stapte uit de boerderij, Piet en Nel trouwden en trokken bij zijn ouders in. Dat was geen gelukkig samenwonen zodat het jonge stel naar de overkant van de vaart verhuisde, waar de familie een oud dubbel huis bezat. Een beetje noodgedwongen besloten Piet en Nel om alsnog de Pieter-Hielkes-Hielke-Pieters-pleats over te nemen (de letters ‘PH’ staan nog altijd in het dak van het bijgebouw) en daar ook te wonen. Heit en mem moesten er uit: het oude dubbele huis maakte plaats voor twee nieuwe bungalows. In de ene kwam Henk Mienstra (die daar nog steeds zit) en in de andere Hielke en Janke (waar nu hun zoon Thom woont).

 

Piet en zijn heit Hielke boerden dik twee jaar samen, maar dat werkte niet: de klassieke botsing tussen de wat behoudzuchtige oude baas en de druistige jongeman die de boel drastisch wil opschudden leidde onophoudelijk tot fricties en irritaties. Piet zocht uitwegen met een cursus k.i.-inseminator, ondernam een achteraf hilarische poging om gevangenisbewaarder te worden, maar veel zorgen maakte hij zich niet. Dat kwam niet alleen door zijn springerige karakter, maar ook doordat er in die tijd werk genoeg was. 

 

Alleen baas

 

Nogal plompverloren stapte heit Hielke ineens uit het boerenbestaan toen hij een baan kreeg bij aannemerij Willem de Vries in Rottum. Dat leek een rare actie, maar hier voelde Hielke zich veel beter thuis. De weg voor Piet en Nel lag nu open. Ze kochten de boerderij en het vee en huurden het land, dat later werd gekocht. Het spul groeide van 40 koeien op 22 bunder naar zo’n 60 koeien op 43 bunder. In 1977/78 werd de ligboxstal gebouwd. Het bedrijf dat werd opgezet, bleef in die vorm bestaan tot 2002 toen land en vee werden verkocht. Piet was nog maar 52, maar had geen opvolger en er was een mooie verkoopkans. 

Sindsdien lijkt het wel alsof Piet het drukker heeft dan ooit, ook al door zijn niet altijd even efficiënte agendavoering. Hij is altijd onderweg zonder goed te weten waar hij uitkomt, kent de halve wereld, onderneemt sociale projecten als de verbouw van de oude lagere school van Katlijk, bouwt een huis voor zijn dochter, koopt en verkoopt de boerderij Kromkamp, is veel op pad voor Read Swart en voor vrienden en kameraden. Nooit te beroerd voor hen klussen te doen, vaak met zijn onafscheidelijke trekker.

 

Voetballer in hart en nieren

 

Heit Hielke was ‘stopperspil’ in Read Swart 1 maar hield het voetbal, samen met zijn broer Durk, voor gezien op zijn 27ste vanwege het boerenwerk. Jammer genoeg heeft Piet dus –afgezien van een pretwedstrijdje- nooit met zijn heit gevoetbald. Hielke bleef wel actief voor Read Swart (bestuur, Elftalcommissie) en volgde trouw de wedstrijden van zijn drie zoons, uit en thuis. De dramatische dood van zijn tweede zoon Henk, in 1988, maakte daar abrupt een einde aan: Hielke heeft nooit weer een stap op het voetbalveld gezet; het verlies van de zoon waar hij aan verknocht was, heeft hij nimmer kunnen verwerken.

 

Piet is zijn hele leven gek van voetbal: boer of geen boer, school of geen school, blessure of niet; het moest wel gek lopen wilde hij een wedstrijd laten schieten. Met trainen had hij minder op. Piet begon als B-junior bij Read Swart: jonger kon je begin jaren zestig niet van start. We kennen die groep van Piet Nijholt (voetbalt in 2016 nog altijd), Jan de Wit, Keimpe ten Hage, Tjeerd Bijstra, Appie Hoekstra, Roel van der Heide, Wiebe Adema, Jan Jager, Sierd de Vries en Hielke Haanstra. Piet trainde zelden; niet altijd zin en het boerenwerk zat nogal dwars. Hij komt over als een flierefluiter, maar zeker op het gebied van voetbal is hij eigenlijk een pure winnaar, soms op het gemene af: het gaat hem alleen om wedstrijden winnen. Alles eromheen is bijzaak. 

 

De grote aanjager van het jeugdvoetbal in de jaren zestig, begin zeventig, bij Read Swart was Herman Minkema. Die was nogal van zijn stuk toen Piet in 1965, toen Read Swart dreigde geen A-juniorenteam te kunnen opstellen, overschrijving naar v.v. Heerenveen aanvroeg. Minkema was kwaad, zeker toen de club alsnog A’s kon inschrijven. Maar Piet maakte onvergetelijke voetbaljaren mee: hij speelde bij Heerenveen één jaar in de A2 en twee jaar in de A1 en bewaart nog altijd zorgvuldig de kaartjes waarmee Heerenveen spelers voor elke wedstrijd individueel uitnodigde, inclusief alvast de positie op het veld. Hij speelde er met onder anderen Mickey Hessels, Theun Kist en Wout de Jong. Het was een compleet andere omgeving dan in De Knipe: niet meer op de fiets naar Mildam en Langezwaag, maar met de bus naar Velocitas en Germanicus.

 

 

Read Swart forever

 

Maar Piet heeft een onverwoestbaar Read Swart-hart en keerde in 1969 terug op het oude nest, in hetzelfde jaar als de komst van die andere grootheid in de aanval van Read Swart 1, Sjoerd de Jong. Sjoerd en Piet geven hoog van elkaar op, al zijn het totaal verschillende spelers: Piet de nooit versagende harde werker, Sjoerd de verfijnde technicus, linkerspits en rechterspits. Piet bleef tot zijn 43ste voor RS 1 spelen. Piet die menige hoekschop steenhard in de kruising kopte en met links en rechts op doel schoot, Sjoerd de man van de dribbel en passeeracties, de subtiele steekpassjes, de stiftjes.

 

Toen Piet aan de Jonkmanweg zijn kicksen weer aantrok (en kort ook nog ’s ochtends in Kinea’s derde speelde), speelde Read Swart in de tweede klas afdeling Friesland, de FVB. Een trainer was er doordeweeks vaak wel, een coach op zondag niet. De Elftalcommissie bepaalde de opstelling. Hulzebosch was de eerste die ook ’s zondags meeging met het elftal dat hij trainde. In 1972 keerde onder leiding van deze kettingroker het elftal met een kampioenschap na decennia terug in de eerste klas FVB (zie de foto in het jubileumboek op pagina 59).

Een jaar later volgde opnieuw promotie, naar de 4de klas KNVB. De start van deze nieuwe competitie was voor Piet een martelgang, waartoe hij zichzelf dwong om die door te maken. Hij verloor immers die zomer zijn jonge zoontje op dramatische wijze en had alle reden om voorlopig niet van het erf te komen. Maar hij moest en zou weer onder de mensen. Hij had het geluk dat zijn elftal ook een vriendenploeg was.

 

Na trainers als Tjalke Brouwer en Jan de Vries volgden periodes waarin trainers lang bij Read Swart bleven hangen: Hulzebosch, Luitzen ten Cate, Bonne de Vries en Anton Gerding. Tussendoor trainers met dienstverbanden van vaak een jaar of twee: Luitsen Haak, Tjitte de Boer, Wieger Haitsma. Uiteraard komen ook elftalleiders voorbij: Geert de Vries, Hotze Pal, Uilke Vervat, Hilco van Burum, Henk Mienstra. Vlaggenist waren vele jaren Geert de Vries, Hielke Hoekstra en Jan Kootstra. Vanzelfsprekend mag masseuse/verzorgster Saakje Brouwer in deze rij niet ontbreken. Legendarisch werden wedstrijden tegen de Vissers van Wijnjewoude (ODV), de Eppinga’s van THOR en de Douwsma’s van Bakkeveen. Het ging er in het veld vaak een stuk rauwer aan toe dan vandaag de dag, maar alle spelers van toen koesteren warme herinneringen.

 

Buiten de lijnen

 

Een voetballende boer loopt wat meer risico dan iemand in loondienst; een verzekering is meestal te duur. Dat hield Piet de Vries nooit van het veld. Maar hij ontkwam niet aan blessures, langdurige soms. In de jaren tachtig maakte hij in zo’n periode van de nood een deugd door het leiderschap van het derde van de zieke Jur Puister over te nemen. Toen Piet herstelde, was hij een poos speler/leider van het team met onder anderen Piet Dijksma, Jan Willem Zwart, zijn zwager Epie Stuiver, Bauke de Boer, Klaas Keuning, Tino Veenbaas, Harm Wierda en de gebroeders Hans en Minne Stoelwinder. Het kampioenschap werd uitbundig gevierd, in Hellendoorn en Heino. Het was de periode waarin Read Swart zeven heren-seniorenelftallen in het veld stuurde.

In de jaren negentig braken Piets nadagen als speler aan, maar het heilige vuur was niet gedoofd. Hij voetbalde in het vijfde, werd met Jillert Anema sponsor van deze ‘Durkjes’, brak zijn been, werd bijna kampioen en besloot nog één keer voor het hoogste te gaan en stapte met de betere spelers uit dat team over naar het derde om daar als speler/leider kampioen te worden. 

Piet begon steeds meer te schommelen in plaats van te wandelen of rennen: de gewrichten protesteerden na die vele jaren harde arbeid. Na een tijdje kwakkelen hing Piet uiteindelijk de voetbalschoenen aan de wilgen en raakte betrokken bij het onderhoudswerk op de club, kwam daardoor in het bestuur terecht en werd consul. Drie jaar (2012-2015) was hij leider van het eerste, met oordoppen in naast trainer Erik Katje. Hij promoveerde naar de derde klas, maar degradeerde twee jaar later ook weer. Meer aardigheid had hij, een aantal jaren eerder, aan het trainen van een jeugdteam (met o.a. Frank Tuinman, Jorke Braaksma en Anco Oosterkamp).

 

Nogal tot zijn verwondering werd Piet de Vries op de ledenvergadering van 2015 benoemd tot erelid van de v.v. Read Swart. Vanwege zijn ellenlange inzet in het eerste elftal? Zijn werk als consul? Altijd paraat staan om klussen te doen? Vele jaren gastvrij onderdak voor Read Swarts optochtwagen? Zijn leiderschappen en kampioenschappen bij het derde? Zijn jeugdtrainerswerk? Zijn onverwoestbare vrolijke optimisme? Zijn onvoorwaardelijke clubliefde?

 

Van alle leden van Read Swart is Piet wel de meest spraakmakende: binnen de vereniging, maar ook ver daarbuiten. Dat heeft met zijn nogal vlotte karakter te maken, met zijn vaak luidruchtige interesse voor het andere geslacht, die echter altijd net binnen de perken blijft en hem onder het vrouwvolk juist populair maakt. Zijn enigszins chaotische dagindeling stelt zijn omgeving doorlopend voor verrassingen. Legendarisch is de gastvrijheid in huize De Vries-Stuiver: nergens wordt het suikerbrood in zulke dikke plakken gesneden en met zoveel boter besmeerd als door Nel. 

 

voeg je eigen gadgets toe aan deze pagina!